Ik weet niet meer hoe je heet, maar zie je gezicht nog voor me. Een jaartje of twintig geleden kwam ik je nog tegen bij een uitzendbureau in Amsterdam. Ik stond op het punt om je te bedanken voor wat je had gedaan. Je was aardig, zoals altijd. En toen wist ik je naam nog. Inmiddels niet meer.

De naam van de pestkop wel: dat was René. Een klein, niet al te knap dikkerdje dat zijn onzekerheid vast afrekende op een nog zwakker kind dan hijzelf was. Ik vergeef het hem, ook al maakte hij me het leven regelmatig zuur.

Het was die ochtend, in drie of vier Havo van De Naulande in Drunen, dat ik op school kwam en het geschiedenislokaal binnenliep. Normaal was dat één van mijn favoriete vakken, maar die ochtend deden we staatsinrichting. Niet mijn ding, zeg maar.

Het ging die jaren al niet zo best, ik kreeg veel voor mijn kiezen. Meneer Durant koos uitgerekend mij en nog een paar anderen uit om voor in de klas te komen zitten. Hij had me net zo goed voor een vuurpeloton kunnen zetten. Deze leraar vertelde altijd aan het begin van het jaar dat je van je hart geen moordkuil moest maken. Mijn hart had meer weg van een massagraf.  

We moesten politieke partijen naspelen en het discussiespel dat erbij hoorde. Geen idee meer welke partij ik moest verdedigen of voorstellen. Ik vrees dat ik deze partij niet al te best vertegenwoordigd heb.

Ik was meer het type dat graag ergens in een hoekje wilde verdwijnen. Mij voorin de klas zetten vond ik op zich al afgrijselijk genoeg, maar die ochtend werd ik bevangen door blinde paniek omdat ik niet wist wat de bedoeling was. Ik groef verwoed in mijn geheugen op zoek naar het iets dat ik wel vergeten moést zijn, maar ik wist van niets.

Daar zat ik dan, hoogst ongemakkelijk en uitermate verlegen. De paniek moet op mijn gezicht te zien zijn geweest. Dat is niet zo moeilijk, want ik werd altijd zo rood als een tomaat. Of eerder: paars als een aubergine.

Daar werden de vragen op me afgevuurd. Ik wist geen enkel antwoord. Voelde me nog stommer en dommer dan ik me doorgaans al voelde. René deed er nog een schepje bovenop en maakte gehakt van me. En toen kwam jij. Jij greep in. Je zei zoiets simpels als “Laat haar nou eens met rust, man.” En het hielp. René hield zijn klep en ik was blij. En ook een beetje verrast. Misschien zelfs onthutst.

Jij was de enige persoon die ooit voor me opkwam. Dat was me nooit eerder overkomen en overkwam me daarna ook nooit meer. En ik heb je nooit kunnen bedanken voor wat je deed. Ik wil je graag alsnog laten weten dat ik nooit ben vergeten wat jij die dag voor me deed. Je naam wel, sorry. Ik stuur mijn bedankje de kosmos in en hoop dat jij ergens op deze aardbol rondwandelt en mijn dankbaarheid je goed karma bezorgt.

Lieve jongen, dank dat je voor me opkwam.  

morguefile