Ik weet het nog heel goed. Het is een gebeurtenis in mijn leven die ik niet snel zal vergeten. Drunen, augustus 1992, een nazomeravond. Ik fietste naar huis na gewerkt te hebben in de plaatselijke supermarkt. Het was een baantje om wat bij te verdienen als student. Er werd altijd geborreld na het werk en ik wachtte dan tot collega’s uitgeborreld waren en dan fietsten we gezamenlijk naar huis. Waarom ik uitgerekend die avond besloot om alleen te vertrekken, is me nog altijd een raadsel.

De weg was inmiddels verlaten en het begon te schemeren. Het licht van mijn fiets deed het niet, maar ik dacht dat het fluorescerende jack dat ik droeg wel opvallend genoeg was. Bovendien had mijn fiets reflectoren. En het was altijd rustig. Ergens onbewust dacht ik als tiener dat ik een soort van onsterfelijk was. Tieners gaan niet dood, toch?

Op een kruispunt zag ik van rechts een auto met daarin vier jongelui hard aan komen rijden. Ik dacht dat ze me wilden laten schrikken met hun rijgedrag. Op het moment dat ik me realiseerde dat ze niet zouden gaan remmen en ik me nog afvroeg of ik moest remmen of sneller fietsen, vloog ik al over de auto heen. Ik maakte mijn eerste – en hopelijk laatste – salto mortale.

Mijn rechterschouder knalde tegen de voorruit. Daarop vloog ik door de lucht, over het dak van de auto. Door de kracht voelde ik mijn schoenen van mijn voeten vliegen. En al vliegende zei ik tegen mezelf: “Ik moet heel hard schreeuwen, anders hoort niemand dit” en daarop begon ik, zoals ik mezelf dicteerde, luidkeels te gillen, geheel mechanisch.

De huizen waren namelijk ver weg van de weg, en het was stil. Er was niemand op straat. Daarna raakte mijn linkerschouder de achterkant van de auto en knalde ik met mijn schedel op de grond. Hard. Ik bleef roerloos liggen en kermde nog wat na. De auto remde en stopte.

Al die tijd had de tijd iets raars gedaan. Die was in één klap veranderd. Want alles ging razendsnel, maar toch dacht ik met dezelfde snelheid als normaal. Ik kan dat niet goed uitleggen, maar heb het eerder meegemaakt toen ik ooit bijna verdronk. Ook toen deed de tijd iets raars en was ineens anders. Behalve dat gebeurde er nog iets raars, wat ook precies zo gebeurde tijdens de bijna-verdrinking: waar je op zo’n moment en bij zo’n gebeurtenis angst verwacht, was er een totale kalmte. Maar dan ook totáál. Behalve de afwezigheid van angst was er nog iets anders dat ontbrak: er was geen pijn.

Al heel snel knielde een man naast me neer die bij me zou blijven en me bemoedigend toesprak. Hij had mijn gegil gehoord en woonde in het huis vlakbij het kruispunt en deze man had toevallig een EHBO-diploma. Tien minuten later arriveerde de politie, die toevallig niet zo heel ver weg was. Ik hoorde ze praten terwijl ik met mijn gezicht naar de stenen keek. Twintig minuten later arriveerde de ambulance. Ik hoorde de politie overleggen met het ambulancepersoneel. “Waarschijnlijk haar nek gebroken,” zeiden ze. Ik voelde alle grond onder mijn voeten verdwijnen en zag mij al eeuwig gekluisterd aan een rolstoel of erger. Was ik maar doodgegaan, dacht ik. Maar ik was niet dood.

Om de ambulance ingetild te kunnen worden, moest ik worden omgedraaid. Dat deed pijn. Ik kreeg iets om mijn nek. Liggend op mijn rug zag ik hoe ontzettend veel mensen er stonden te kijken, in een grote kring. Ik kan je zeggen: op dat moment haatte ik ze. Ik vond het vreselijk dat al die mensen maar wat doelloos stonden te kijken naar mijn pijn en ellende. Flikker op, dacht ik. Maar ze bleven staan, en ze keken hoe mijn lichaam in de ambulance werd geschoven.

Eenmaal in de ambulance lukte het me om te praten, bibberend en stotterend. Ze vroegen mij hoe ik heette en ik antwoordde. Ik deed de hele rit over het antwoord. Eenmaal in het ziekenhuis bleek alles Godzijdank mee te vallen. Mijn botten zaten op een andere plek, maar er was niets gebroken, enkel flink gekneusd. Over de bult op mijn kop had ik niet eens iets gezegd.

Ik moest zelf mijn ouders bellen, omdat ze anders te erg zouden schrikken. Ik belde ze en ze kwamen me ophalen in het ziekenhuis. Ik kon naar huis, levend en wel.

Tot op de dag van vandaag begrijp ik niet waar ineens die heldere stem vandaan kwam die me zei dat ik hard moest gillen. Ook begrijp ik niet waarom mijn schedel niet uit elkaar gebarsten was bij de klap op de grond. Ik begrijp überhaupt niet hoe ik het er levend af heb kunnen brengen.

Wat ik wel weet is dat ik de man – ik weet nog altijd niet wie u bent – eeuwig dankbaar ben die naast me knielde en steeds bij me bleef. Ik heb uw woorden gehoord. Ik heb alles gehoord, al herinner ik me niet alles meer. Uw woorden deden me erg goed. Uw woorden had ik op dat moment het hardste nodig van al, ze waren meer helend dan de aanwezigheid van de politie of van de ambulance. Uw woorden gaven me een gevoel van veiligheid. Ik heb uw gezicht nooit gezien, maar volgens mij bent u een engel.

stopbord